Huisarts als ondernemer
Het resultaat van een actiedag in de RAI en de bijbehorende mediacampagne is, dat minister Schippers in Pauw en Witteman heeft aangekondigd, dat zij de NZA heeft gevraagd uit te zoeken, wat nou precies het inkomen van de huisartsen is, omdat op dat punt de mening van de minister en de huisartsen nogal ver uit elkaar ligt. De minister is namelijk van mening, dat de huisartsen zeer ruim boven het voor hen begrote ‘norminkomen’ van net boven de € 100.000 verdienen.
Dit lijkt een redelijk initiatief, ‘dan weten we tenminste waar we het over hebben’, maar de uitslag laat zich al raden. Tot welke conclusie de commissie van de NZA ook komt, de beide partijen zullen met argumenten deze conclusies bestrijden en waarschijnlijk terecht.
In de praktijk van onze werkzaamheden stuiten wij op zoveel variabelen, die van invloed zijn op het inkomen van de huisarts, dat er geen onderzoek te bedenken is, waarin al die factoren adequaat kunnen worden uitgebannen.
En dat is niet zo vreemd.
Er is nog altijd een vrij brede consensus over de vraag of de Nederlandse huisarts een ondernemer moet of liever gezegd mag zijn. De argumenten zijn bekend. Eigen initiatief, betrokkenheid en verantwoordelijkheid zijn enkele van de kernwoorden in het werk van de huisarts. Als op vrijdagavond de gemiddelde Nederlander zich (terecht) met een drankje op de bank nestelt, blijft een deel van de huisartsen paraat om bij calamiteiten uit te rukken. Het is geen uitzondering, dat huisartsen voor het bedrag, dat uiteindelijk als ‘winst uit onderneming’ op de jaarrekening prijkt, veel avonden, veel vergadering met collega’s en heel wat scholingsweekends achter de rug hebben. Reken maar eens uit hoeveel winst per uur dat is geweest en of dat dan te veel of te weinig is.
De huisarts is een ondernemer.
Mede onder druk van de overheid zijn veel artsen toegetreden tot (inderdaad onvermijdelijke) samenwerkingsverbanden, waarvan ze soms met angst en beven de kosten tegemoet zien. In die samenwerkingsverbanden is meestal gezamenlijk -en ook weer op nadrukkelijk verzoek van diezelfde overheid- personeel aangesteld om werkzaamheden naar de eerste lijn te halen, dat zaken als de diabetiszorg zoveel goedkoper kan uitvoeren dan de ziekenhuizen.
Het is vaak betoogd deze weken. Maar de huisarts mocht er niets aan verdienen! Wij moesten als accountants verslagen produceren, waaruit toch vooral bleek, dat de ingehuurde krachten zichzelf precies terugverdienden.
De huisarts is ondernemer.
En eigenlijk is niet de discussie of die huisarts nou ongeveer een ton verdient of misschien enkele tienduizenden meer. De eigenlijke vraag is of de overheid de huisarts accepteert als ondernemer, waarbij de overheid uiteraard best haar rol mag en zelfs moet nemen in het beheersen van de kosten. Normeer het inschrijftarief, normeer de verrichtingen en laat de ondernemer verder met rust.
In de discussies over functionarissen bij de pseudo overheid, waar we de huisarts eigenlijk toch ook toe moeten rekenen, ging het recent vaak over de ‘Balkenendenorm’. Het blijkt nog niet mee te vallen om allerlei directeuren van dit soort instellingen onder de twee ton te krijgen. Bij de huisartsen, academisch geschoold, langdurig gespecialiseerd, pas tegen hun dertigste op de arbeidsmarkt, tussen de 50 en 60 uur in touw per week en vaak verantwoordelijk voor de vraag naar leven en dood gaat het om de vraag of men iets meer dan een ton mag verdienen en is het de bedoeling er in ieder geval € 20.000 vanaf te halen.
Met een dergelijke ingreep, het is al vaak gezegd, zal het beroep zijn aantrekkingskracht verliezen en zal dit deel van de gezondheidszorg hetzelfde lot beschoren zijn als het onderwijs, waardoor de salarisschalen op de cruciale plekken als wis- en natuurkunde en scheikunde de slag met het bedrijfsleven al lang is verloren.

Volg ons op